14. Nicaragua - Honduras - Guatemala - Belize - Mexico Feb 2013:

Net voordat we de grens oversteken blijven we nog enkele dagen bij Guido en Agi, twee Zwitsers die sinds 1997 hun hebben en houden verkocht hebben en hier een stuk grond van 70Ha kochten. Ze runnen hier nu een pension met verschillende chalets en enkele camperplaatsen. Daarnaast hebben ze nog inkomsten van een honderdtal runderen en excursies die ze in de buurt aanbieden. Een klein paradijsje vlakbij het water waar je ´s morgens gewekt wordt door tientallen brulapen, jammer dat diezelfde apen het ook nodig vonden om op de camion te sch#%&ten. Wij doen nog een wandeling op hun landgoed waar we toekans, een luiaard en verschillende apen zien.

´s Morgens bij het verwijderen van de hardnekkige apenstr#% :-(

De luiaard en als je goed kijkt zie je het jong op de borst liggen.

Nicaragua, het volgende land in Centraal-Amerika. De grensovergang verloopt veel vlotter dan verwacht, op een drietal uurtjes is alle papierkraam geregeld en zijn we er doorheen. We rijden eerst kilometers langsheen het immense Lago Nicaragua met in het midden verschillende vulkanen. Onze eerste stopplaats wordt de koloniale stad Granada met een kleine 110000 inwoners. De camion parkeren we op de binnenkoer van de brandweer. De stad zelf is magnifiek, pastelkleurige huisjes, mooie koloniale gebouwen en gezellige restaurantjes. Het leven is hier ook weer een heel stuk goedkoper dan in buurland Costa Rica. Een pintje bier van 1L kost hier omgerekend 90 eurocentjes :-)

Lago Nicaragua met in het midden één van de vele vulkanen.

De brandweercrew van Granada:

Een paar overblijfselen van uit de tijd dat Nicargua nog communistische ambities had.

De mooie binnenstad:

Vulkaan Masaya, volgens een legende werden hier vroeger jonge vrouwen in de kolkende lava gesmeten om de god van het vuur te sussen. Nu is de vulkaan allang uitgedoofd en lokt ze alleen nog maar toeristen om het mooie gevormde kratermeer te bewonderen. Parkeren doen we aan de ingang van het park en we mogen hier ook blijven overnachten. Het café op de hoek vond het maar niks dat we er al om tien uur inlagen en de volumeknop van de stereo bleef dan ook op maximum tot een uur of twee in de morgen :-(

Onze parkeerplek met op de achtergrond het bewuste café:

Het kratermeer.

Op weg naar de grens met Honduras nemen we ergens een verkeerde afslag en belanden we op een godverlaten weg bezaaid met putholes om U tegen te zeggen. Na een drietal uurtjes hobbelen  en vloeken geraken we dan toch terug op de goede baan en bereiken we tegen de valavond het kleine grensstadje Somotillo.

Men had ons gewaarschuwd dat de grensovergangen in Midden-Amerika verschrikkelijk waren en enorm veel tijd in beslag nemen maar van dat alles hebben we tot nu toe nog niets gemerkt. Ook de grens met Honduras is in tweetal uurtjes gepiept en tegen de vroege middag rijden we al het land binnen. De wegen zijn hier wel van een andere grootorde, soms is het asfalt super maar op sommige trajecten is de weg bezaaid met putten van wel 30cm diep. We slagen er in om ze te ontwijken maar toch krijgen we weer een platte band, nummertje drie in het rijtje. We hebben geluk dat we de camion nog net langs de baan kunnen parkeren want op deze drukke verbindingsweg wil je niet liggen kl#%ten met een reservewiel. Omdat het dezelfde band is als in Costa Rica besluit ik om de band er zelf af te trekken en er gelijk een nieuwe binnenband in te steken. Ik vrees dat de originele binnenbanden hun beste tijd gehad hebben door al het pistengehobbel.

De grenspost met Honduras:

Onze assistentie bij de bandenwissel, de jongens waren dolgelukkig met onze oude binnenband:

Onze stopplaats net voorbij de hoofdstad Tegucigalpa, in het plaatsje Valle de Ángeles. We mogen de camion parkeren in een klein dierenpark. Hier zien we voor het eerst een levende tapir, jammer genoeg wel in gevangenschap. In een foto had hij geen zin want tegen dat wij ons fototoestel gehaald hadden zat hij verstopt achter zijn slaaphok :-(

Het traject van Valle de Ángeles naar Gracias hadden we gepland op één dag te doen maar daar besliste de banden anders over, nummertje vier was een feit. Ook hier hebben we geluk bij een ongeluk dat we we de camion nog net op een vlak stukje langs de weg kunnen parkeren want van een pechstrook hebben ze hier nog nooit gehoord. Het duurt niet lang voordat we weer de attractie van het dorp zijn en onder de blik van vele Hondureesjes begin ik de band te demonteren. De nieuwe binnenband die we gekocht hadden in Costa Rica stak ondertussen al in onze laatste lekke band maar we hadden er gelukkig nog eentje liggen die we al drie jaar meesleuren onder de zitbank. Na een uurtje steekt de ´nieuwe´ erin maar het oppompen wil niet echt lukken. Één van de omstaanders biedt dan aan om het eens te proberen met zijn compressor, ok waarom niet en na een tiental minuutjes komt hij aandraven met iets wat in een heel ver verleden ooit lucht geblazen heeft. Hij sluit de twee draadjes aan op de lantaarnpaal op de hoek maar al snel blijkt dat het ook hiermee niet gaat lukken. Het kan nog maar één zaak zijn en dat is dat onze ´nieuwe´ toch niet meer zo nieuw is en ergens een lek heeft. De behulpzame eigenaar van de compressor stelt dan voor de band in zijn pick-up te smijten en ermee naar de bandenman te rijden. De pick-up is ongeveer in dezelfde staat als zijn compressor. Mijn deur gaat allang niet meer dicht en bij het eerste remmanoeuvre vliegen we beiden bijna de gracht in. Allé, na een spannend ritje komen we uiteindelijk aan bij de bandenman en daar blijkt dat er inderdaad een klein gaatje inzit, waarschijnlijk ergens tussen gezeten. De band wordt geplakt, ik geef onze helper wat geld voor de benzine en wij trekken naar Comayagua op zoek naar nieuwe binnenbanden. De bandenman had ons doorverwezen naar een grote bandencentrale maar die hadden er jammer genoeg maar eentje liggen maar we zijn al blij dat we toch weer eentje in reserve hebben. In de achterbanden zijn de binnenbanden nu vervangen en hopelijk is daar nu het probleem met de lekke banden opgelost, wordt in elk geval vervolgd.

De dag nadien trekken we dan van Comayagua richting Gracias. Nu een dorpje van 45000 inwoners maar eens de hoofdstad van het hele veroverde Spaanse Centraal-Amerika. Hier en daar tref je nog sporen aan van die tijd maar het is nu vooral een gezellig rustig dorpje. We parkeren onze camion op Haciënda Bavaria, gaan ´s avonds eentje drinken en brengen ´s anderdaags een bezoekje aan de markt.

Onze parkeerplaats op haciënda Bavaria:

Toch wel met afstand de grootste Mojito die we ooit in ons leven hebben gedronken.

De gezellige binnenstad:

Van Gracias gaat het dan richting Copán ruinas, het dorpje is hier ontstaan na de ontdekking van de Maya-ruïnes. De ruïnes staan niet bekend om hun grote piramides maar wel om de verfijnde beeldhouwwerken die hier gevonden zijn. De vallei zou al bewoond zijn van 1200 v.Chr. en kwam vanaf 400 n.Chr. onder het bewind van de Maya´s te staan. Op hun top (600 en  800 n.Chr) zouden hier meer dan 20000 mensen geleefd hebben. Om een nog onduidelijke reden werd de vallei nadien verlaten en terug ingenomen door de omliggende jungle. De site werd herontdekt door een Spanjaard en in 1840 nog eens ´officieel´ door twee Amerikanen. Vanaf dan werd de site stap per stap terug blootgelegd tot hetgeen wat we vandaag kunnen zien. Het is onze eerste Maya-site die we bezoeken en we zijn al meteen onder de indruk van de enorme omvang van de site, niet te geloven wat men in die tijd al kon bouwen.

Onze parkeerspot tegenover de inkom van de ruïnes met onze Oostenrijkse buren. Zij zijn een half jaar onderweg geweest in Noord-Amerika. Ze waren eigenlijk van plan om naar Zuid-Amerika te reizen maar de cultuurshock was voor hen te groot en zij reizen nu zo snel mogelijk terug naar het noorden.

De Copán ruïnes, de beelden spreken voor zich:

Elk beeld verteld de geschiedenis van één bepaalde koning, welke veldslagen hij gewonnen heeft, het jaar waarin hij geleefd heeft, enz... Wij zagen alleen maar een hoop mannekens maar daarom niet minder indrukwekkend.

Van Copán is het nog enkele kilometers tot de grens met Guatemala, de grensoversteek verloopt vlot en we bereiken na een lange reisdag Antigua. Parkeren mogen we de camion op de parking van de toeristenpolitie, vlakbij het centrum. Antigua was eens de hoofdstad van Guatemala maar na verschillende zware aardbevingen; waarbij die van 1776 zo goed als heel de stad wegvaagde; werd de hoofdstad verplaatst naar het huidige Guatemala-City. De stad werd nadien langzaam terug opgebouwd maar bleef toch zijn traditioneel karakter behouden en werd in 1979 door Unesco uitgeroepen tot werelderfgoed. De stad is gelegen op 1500m hoogte en omgeven door een mooie setting gedomineerd door drie vulkanen. In de binnenstad is het heerlijk vertoeven, kleurrijke huisjes, gezellige drukte en een grote mercado. In de stad zijn de sporen van de zware aardbeving nog steeds zichtbaar, veel van de ingestorte religieuze gebouwen liggen er als van toen bij.

Onze slaapplaats op de binnenhof van de toeristen-polite:

De oude binnenstad:

Van Antigua gaat het dan richting het zwoele Rio Dulce. Een dorp wat ligt aan het einde van Lago Izabal en waarover vroeger alle transport gebeurde met een veerpont. De tijden zijn veranderd en beide oevers worden nu verbonden door de immense brug, de grootste van Midden-Amerika. De meeste toeristen hier zijn afkomstig van de jachthaven die beschouwd wordt als de veiligste aan de Caribische kust tijdens het orkaanseizoen. Wij parkeren ons jacht op een kleine parking niet ver van het centrum en brengen weer een nacht sudderend in eigen nat door. ´s Morgens bezoeken we het dorp en kopen nog maar eens nieuwe sandalen voor mij want de Boliviaanse zaten nu echt op hun einde.

Onze slaapplaats:

Deze knappe dame wilde dolgraag poseren voor ons:

De immense brug:

Het broeierige Rio Dulce:

Van Rio Dulce gaat het dan richting de Maya-ruïnes van Tikal met een tussenstop op de Finca Ixobel. Daar treffen we de gepensioneerde Rudi en Rita aan die al meer dan vier jaar onderweg zijn met hun grote Volvo. Ook leren we Joachim kennen die al 8 maanden onderweg is met zijn KTM.

Tikal, Maya wolkenkrabbers die boven de dichte junglecanapé uittorenen, verschrikkelijk steile tempeltrappen, nog massa´s onontdekte stukjes geschiedenis, het zijn maar enkele van de eigenschappen van deze immense site. Op haar hoogtepunt leefden hier meer dan 100.000 mensen verspreidt over een oppervlakte van 550 km². Nu is enkel het centrale gedeelte van 16 km² grotendeels blootgelegd maar ook hier zie je nog tempels onder een dik groen tapijt. Wij komen tegen een uur of zes in de avond toe en parkeren de camion aan de ingang van de site bij de ´Jaguar Inn`. De dag nadien staan we al om 05Hr op om voor de grote drukte op de site te kunnen rondwandelen. We zijn bijna alleen en trekken meteen naar de hoogste tempel van 64m om te kunnen genieten van het uitzicht over de ontwakende jungle. We wandelen meer dan vijf uur rond op de site en zijn, net zoals bij de ruïnes van Copán, bijzonder onder indruk van de omvang.

Op de hoogste tempel van de site:

Met dit mooie uitzicht en in de verte enkele uitstekende tempels:

Enkele foto´s van de immense tempels:

Belize, een heel andere wereld ten opzichte van de omringende landen. Eerst en vooral is er de taal, hier wordt er geen Spaans gesproken maar een Engels op zijn Jamaicaans. De hordes beveiligingsagenten zijn uit het straatbeeld verdwenen en alles voelt er heel ontspannend aan. We bezoeken er eerst de streek rond San Ignacio waar er nog een heel grote groep mennonieten woont. De meeste zijn van Europese afkomst en dan vooral uit Duitsland en Nederland. Je kunt ze zo een beetje vergelijken met mensen uit de serie ´Het kleine huis op de prairie´. De mannen lopen in geruit hemd, salopet en grote hoed en de vrouwen dragen allen een wijde rok. Het meeste transport gebeurd nog met paard en kar al hebben we toch ook een modernere versie van de mennoniet gezien. Waarschijnlijk zal de vondst van olie op hun grondgebied daar wel voor iets tussen zitten. Foto´s nemen is een beetje uit den boze dus hebben we er maar eentje stiekem genomen als we een paard en kar voorbij reden. Een belangrijke gemeenschap rond San Ignacio is die van Spanish Lookout.

Eén van de oliebronnen:

Van San Ignacio gaat het dan richting Placencia, een klein dorpje op een uitloper van een lange landtong. Er leeft hier een grote Bob Marley look-a-like gemeenschap met rastakopjes en het bijhorende taaltje. Parkeren doen we de camion op een kleine parking vlakbij de kust. Placencia is ondertussen ook bekend geraakt bij de rijke Amerikaanse gepensioneerden en dit doet een beetje afbreuk aan de authenticiteit van het dorp. Amerikanen zijn al niet echt mijn beste vrienden en als er dan nog eentje komt vragen of onze camion een beestenwagen is hebben ze er al helemaal gelegen.
Placencia is één van de uitvalsbasissen voor te gaan snorkelen op koraalriffen. We boeken voor de volgende dag een tour naar de Silk-cayes. Om acht uur ´s morgens brengt een speedboot ons met een enorme vaart naar het eiland. Eerst doen we al snorkelend een kleine tour rond het eiland waar we de verschillende soorten koraal mogen bewonderen. ´s Middags staat er dan een BBQ op het programma met een magnifiek uitzicht op de omringende eilandjes en ´s namiddags gaan we uiteindelijk snorkelen in een gebied waar er schildpadden, roggen en verschillende soorten haaien voorkomen waaronder de verpleegsterhaai en de citroenhaai.

Onze parkeerplaats:

Op weg naar de Silk-Cayes:

Het paradijselijke eilandje:

Een citroenhaai:

Na drie dagen nemen we met pijn in het hart afscheid van Placencia en trekken richting Belize-City. Onderweg stoppen we nog aan een grote bandencentrale waar we ditmaal meer succes hebben en nog een reserve binnenband weten te kopen. De stad zelf bezoeken we niet, we parkeren de camion aan een jachtclub om de dag nadien verder te rijden richting de grens met Mexico.

De jachtclub:

Van Belize-city gaat het dan richting Corazol, de laatste stopplaats in Belize. Het dorpje ligt vlak voor de grens en is prachtig gelegen aan de Caribische kust. We gaan er een hapje eten, doen nog een beetje inkopen en laten mijne friseur nog eens bijwerken.

Dit noemen we nog eens een BBQ:

De grens met Mexico verloopt redelijk vlot. Eerst kost het wat heen en weer geloop voor de immigratie in orde te krijgen, we willen immers langer blijven dan de gewoonlijke 30 dagen en daar moet natuurlijk voor betaald worden. We krijgen uiteindelijk een toelating voor 180 dagen. Het voertuig neemt zoals gewoonlijk het meeste tijd in beslag. We moeten eerst een toelating kopen van 50 US$ waarbij alle voertuiggegevens al eens grondig gecheckt worden. Daarna wordt de camion met een enorme scanner doorgelicht op eventueel drugs- of wapenbezit waarna er nog eens visuele controle volgt door het douane personeel. Als dat allemaal afgehandeld is moeten we nog door een militaire checkpoint waar er eens snel binnen gepiept wordt en we zijn klaar voor Mexico. Voor het voertuig krijgen we een toelating voor 10 jaar, niet dat we zo lang van plan zijn om te blijven :-). De verzekering hadden we al online geregeld dus daar hoeven we ons geen zorgen meer over te maken. Het eerste wat er op het programma staat is tanken want onze beide tanks zijn zo goed als leeg. De brandstof is hier een heel stuk goedkoper en komt neer op 0,7 €/liter. Van de grens gaat het dan over een goede baan richting Tulúm. Met de toestemming van pater José mogen we de camion parkeren op de binnenkoer van de kerk. We halen wat geld af, brengen de was nog eens binnen en laten ons een lekkere Corona smaken op een terrasje.

Onze plaats op de binnenkoer met op de achtergrond de kerk:

De dag nadien rijden we over een onverharde weg richting Punta Allen. We rijden niet helemaal tot aan het dorp maar zoeken ons een rustig plaatsje ver van alle drukte. We hebben hier een prachtig uitzicht over de Caribische zee, gaan wat zwemmen en koken ´s avonds een lekker potje. Enige minpuntje aan deze prachtlocatie is dat ´s morgens de bikini van Cindy verdwenen was. Eerst dachten we nog dat die weggewaaid was maar na een uurtje zoeken moesten we concluderen dat er één of ander Mexicaantje mee lopen was. ´t Is te hopen dat hij past :-)

Van Tulum gaat het dan naar de maya ruïnes van Chichén Itzá. Het speciale aan deze site is dat de meeste tempels volledig gerestaureerd zijn en de tussenliggende jungle gekapt waardoor je een idee krijgt van de enorme omvang van de site. Het is sinds 2007 uitgeroepen tot één van de nieuwe zeven wereldwonderen. De stad was op haar hoogtepunt rond de 10de eeuw nadat vele steden in het zuiden kwamen leeg te staan.

Onderweg nog een Frans koppeltje onderweg met een mooi VW-busje.

De site van Chichén Itzá:

De reusachtige El Castillo tempel:

Tombe van de hoge priester:

Het observatorium El Caracol:

De tempels waren natuurlijk enkel maar voor de elite en het ´gewone´ volk leefde in de hieronder afgebeelde hutjes. Tot op de dag van vandaag zie je nog mensen wonen in zulke hutten.

Overnachten doen we op een grote parking net voor het dorp Piste. Daar leren we Isaac kennen uit Mexico-stad. Hij rijdt met een grote vrachtwagen al jaren hetzelfde traject tussen Cancún en Mexico-stad en geeft ons een paar tips van de zaken die we zeker moeten bezoeken.

Izamal, een klein dorpje in het midden van de Yucatán provincie met één van de grootste kloosters van Midden-Amerika. We arriveren in de vroege namiddag en parkeren de camion op de campingplaats van een Oostenrijker. Het is die dag verschrikkelijk heet, we meten 38° in de schaduw. Het is dan ook puffen geblazen als we het dorp bezoeken. De meeste huizen, inclusief het klooster zijn geel geverfd waardoor het dorp de bijnaam golden city kreeg.

Ook voor de paarden was het puffen geblazen:

De campingplaats:

Hier ontmoeten we Denis en Renée uit Canada. Zij zijn beiden gepensioneerd en zakken ieder jaar af naar Mexico voor een periode van 6 maanden. Dit doen ze nu al tien jaar en ook van hen krijgen we weer een hele hoop waardevolle tips.

Heel de provincie Yucatan ligt bezaaid met cenotes. Dit zijn bovengrondse of ondergrondse bronnen die ontstaan zijn langs de rand van een enorme krater. Deze is het gevolg van een meteoriet inslag die zowat 65 miljoen jaar geleden moet plaats gevonden hebben en waardoor naar alle waarschijnlijkheid de dinosauriërs zijn uitgestorven. Wij brengen een bezoek aan één van die cenotes in Cholula. Je kunt er in de ondergronds bron zwemmen en het water heeft een bijna constante temperatuur van 28°C. Kleine noot, in sommige van die bovengrondse cenotes werden vroeger mensenoffers gebracht om de regengod te eren.

Campeche, een middelgrote stad aan de Mexicaanse Golf. De stad op zich heeft mooie koloniale gebouwen maar het voelt er allemaal een beetje desolaat aan. We blijven dan ook niet lang in de oude binnenstad en brengen in de namiddag een bezoekje aan de Wallmart waar we een nieuwe E-reader voor Cindy vinden en nog wat inkopen doen. De nacht brengen we door in een kleine zijstraat langs de Wallmart.

Vorig verslag    Overzicht    Volgend verslag