06. Bolivia Jun 2012:

Het derde land in onze reis doorheen het Zuid-Amerikaanse continent, het plan is om het te doorkruisen van zuidoost naar west richting de Pantanal in Brazilië. Hiervoor hebben we onszelf ongeveer een maand de tijd gegeven. Een nieuw land bezoeken is altijd een beetje spannend, hoe vallen de mensen mee, gaan we gemakkelijk slaapplaatsen vinden, hoe is het eten, enz... Van de meeste reizigers die we tot nu toe ontmoet hebben niets dan positiefs gehoord, dus laat maar komen.

Het gebied waar we de komende weken in rondtoeren draagt de naam Altiplano en wordt ook wel eens het Tibet van het Amerikaanse continent genoemd. De gemiddelde hoogte ligt hier rond de 4000m met pieken van meer dan 6000m. We nemen in de vroege namiddag de grensovergang Hito Cajones , de immigratie bevindt zich vlak aan de grens maar voor de douane moet je een kleine 80Km verder landinwaarts rijden. De wegen gaan hier weer van slecht naar verschrikkelijk, dus dat halen we vandaag niet meer. Na een namiddagje hobbelen en stof vreten houden we halt aan de ´Termas de Chalviri´ (4100m) die vlak aan een meer liggen. ´s Nachts koelt het fors af tot -8° Celcius, maar de verwarming doet het gelukkig een stuk beter nu, ik heb een beetje liggen experimenteren met de inlaat van de Webasto en een stand gevonden waarbij hij redelijk goed werkt.

De volgende dag gaat het richting de douane die maar liefst op 5039m hoogte ligt, waarschijnlijk het hoogst dat we ooit met onze camion zullen geraken. Het kantoor zelf bevindt zich op een mijnterrein waar het ons niet helemaal duidelijk is wat hier ontgonnen wordt, maar we gokken op zwavel omdat we hier aan de voet van een vulkaan zitten. Aangrenzend aan het terrein ligt er ook een voetbalveldje, voetballen op meer dan 5000m , straffe mannen.

Volgende halte wordt Laguna Colorada (4300m), een meer dat bekend staat om zijn rode kleur die veroorzaakt wordt door microscopische algen die op het zonlicht reageren en het zijn net die algen waar de flamingo´s verzot op zijn. Het is dan ook één van de belangrijkste broedplaatsen van flamingo´s en wie dacht dat die enkel in de tropen voorkwamen, hier kan het ´s nachts afkoelen tot -30° Celsius. In de namiddag worden we vergezeld door Beatrix en Christophe, een tof Zwitsers koppel die onderweg zijn met een Mercedes Sprinter 4x4. Het wordt ´s nachts geen -30° maar wij meten -12° en de Zwitsers -18° dus het zal wel ergens rond de -15° geweest zijn, het koudste wat we tot nu toe gehad hebben. Eenmaal dat ´s morgens het zonnetje erdoor komt warmt het snel op en genieten we van de prachtige rode lagune met zijn flamingo´s.

Onderweg zijn we nog getuige van een lama geboorte.

We dachten een stuk af te kunnen snijden door de weg van Villa Mar naar San Cristóbal te nemen maar dit wordt één van de zwaarste pistes die we tot nu toe gereden hebben. Smalle passages, steile hellingen, rivier-crossingen en horror wasbord wisselen elkaar in hoog tempo af, op zo´n momenten wordt het meestal stil in de cabine en foto´s maken vergeten we al helemaal, het enige wat we willen is hier zo snel mogelijk doorheen komen. Na een kleine 120Km hebben we het ergste gehad en parkeren de camion langs de ´weg´. We trakteren ons op een frisse pint en een glas wijn, mijmeren nog een beetje na over de zware dag en kruipen dan moe maar voldaan in ons bedje. De volgende dag tanken we in San Cristóbal, we hebben geluk, er wordt ons de Boliviaanse prijs aangerekend (37 eurocentjes). Er is hier sinds 2009 een wet dat buitenlanders driemaal zoveel dienen te betalen als de lokalen maar dat is nog niet tot alle uithoeken van het land doorgedrongen. Bij de YPFB regeringsstations is het sowieso de volle pot wat je moet betalen maar bij kleinere lokale stations kan je meer geluk hebben. Met volle tank trekken we richting Uyuni, een stadje gelegen op 3670m met een kleine 25000 inwoners. Parkeren doen we de camion vlakbij de ingang van een militaire kazerne. We verblijven er een viertal dagen en bezoeken de verschillende marktjes, het treinkerkhof en natuurlijk de ´Salar de Uyuni´ waar dit stadje zo bekend om is.

Het treinkerkhof, stoomlocomotieven die gebruikt werden voor het transporteren van zout, ertsen, enz... Er zijn ooit plannen geweest om een deel ervan te restaureren maar gelijk het er nu uitziet zullen ze hier nog wel een tijdje staan roesten.

´Salar de Uyuni´, ´s werelds grootste zoutvlakte met een oppervlakte van maar liefst 12500km², een surrealistische omgeving op een hoogte van 3600m. De zoutvlakte is een restant van een reeks grote meren van 40000 tot 25000 jaar geleden die in de loop der jaren volledig verdampt zijn. De zoutkorst zou tien miljard ton zout bevatten en daarvan wordt jaarlijks 25000 ton afgegraven door de inwoners van het dorpje Colchani (20km ten NW van Uyuni), van hieruit kun je ook de zoutvlakte oprijden waarbij je al direct geconfronteerd wordt met de zoutwerkers die hier voor een kleine 10 Bolivianos (1€) per ton het zout met de hand afgraven. Er bevindt zich niet alleen zout in de grond maar er ook de helft van de wereldvoorraad Lithium waarmee Bolivia wel eens het nieuwe Saoedi-Arabië van de wereld zou kunnen worden.

De combinatie van puur wit en straalblauwe hemel leent zich tot het maken van leuke foto´s in niet altijd even serieuze poses.

Potosi, een koloniaal stadje op 4100m en een 150.000 inwoners en vooral bekend om de Cerro Rico. Wij parkeren de camion op een kleine parking van een hotel. Het is vandaag een feestdag ter ere van één of andere heilige waarvan we de naam schuldig moeten blijven. De straten worden versierd met mooie bloemen tapijten, er wordt een openlucht viering gehouden waarbij de meisjes netjes gescheiden staan van de jongens, enz..., maar eerst trakteren we ons op een stevig ontbijt.

De zilverberg van Potosi, voor Spanje was het de Cerro Rico of rijke berg maar voor de indianen en zwarte slaven uit Afrika was het de poort naar hel. Door toeval ontdekte de indiaan Diego Huallpa in 1545 het zilver in de rotsen van de berg. Zijn vondst viel precies midden in de Spaanse verovering en bleef niet verborgen voor de conquistadores. Aanvankelijk kon het zilver nog probleemloos ontgonnen worden maar de honger van Spanje vereiste dat er steeds dieper in de berg gegraven werd en dit onder de verschrikkelijkste omstandigheden. Door de eeuwen heen zouden er acht miljoen mensen hun leven laten in de mijn. Uiteindelijk werd er meer dan 40.000 ton zilver uit de berg gehaald en ´schitterden´ steden gelijk Sevilla. Vandaag de dag wordt er nog door een 120-tal coöperatieven met zwaar werken en onder primitieve omstandigheden vooral tin, zink en een klein beetje zilver uit de berg gehaald. Een sociale verzekering hebben de mijnwerkers hier niet en ze moeten met hun eigen inkomsten dynamiet, calciumcarbid voor de lampen en ander materiaal bekostigen. We brengen een bezoek aan de mijnwerkersmarkt waar je cocabladeren, dynamiet, alcohol voor de mijnwerkers kunt kopen (wij houden het bij cocabladeren en frisdrank), daarna gaan we naar een fabriek waar de mineralen van mekaar gescheiden worden om tenslotte af te dalen in één van de mijnen in de Cerro Rico. De mijnwerkers kauwen heel de dag op cocabladeren om hun honger te stillen en een licht opwekkend effect te creëren. In de mijngangen hangt een lucht van stof, salpeter, asbest, carbid, enz..., de levensverwachting van de arbeiders is dan ook niet meer dan 45jaar. De mijnwerkers zijn hier zéér bijgelovig en brengen dagelijks een bezoek aan El Tio, een duivelse beschermheilige. Ze schenken hem cocablaadjes, besprenkelen hem met alcohol en steken sigaretten in zijn mond om hen te beschermen tegen ongelukken in de mijn. Er wordt hier ook bijzonder veel gedronken en dan niet de gewone drank die wij kennen maar pure alcohol van 96°, we zijn tijdens ons bezoek getuige van twee straalbezopen mijnwerkers die elkaar tot bloedens toe liggen af te ranselen, allemaal heel confronterend.

Cerro Rico:

De mijnwerkersmarkt met op de voorgrond de cocablaadjes en op de achtergrond de flesjes met pure alcohol:

Het fabriekje waar de ertsen gescheiden worden:

Een mengeling van zilver, tin en zink:

Onze gemotiveerde gids:

De mijningang, de donkere strepen rechts op de muur zijn afkomstig van lama-bloed, die worden hier geofferd om ook weer geluk te brengen.

De combinatie van verschillende mineralen levert de gekste kleuren op:

Wij met ´El Tio` in ons midden:

Sucre, in tegenstelling wat velen denken is dit de hoofdstad van Bolivia en niet La Paz, gelegen op 2790m, één van de mooiste steden die we tot nu toe bezocht hebben. Er heerst hier een gemoedelijke sfeer, de mensen zijn vriendelijk, je kunt hier heerlijk gaan uit eten en we staan op een prachtige plaats niet ver van het centrum. We zijn getuige van de opening van het studentenjaar (allé, zo hebben we het toch begrepen), we bezoeken er de plaatselijke ´Mercado Central` (een wirwar van kleine kraampjes), brengen een bezoek aan een museum waar we de geschiedenis van Bolivia voorgeschoteld krijgen, kuieren langs de verschillende historische gebouwen en laten ons natuurlijk culinair verwennen in de vele restaurantjes.

Onze verblijfplaats bij Don Alberto:

De studenten-optocht:

De Mercado Central:

De stratenveegsters:

De zoektocht naar de vele historische gebouwen in de stad:

Één van de vele restaurantjes:

Er rijden hier nog massa´s mooie klassiekers rond:

Op de voorlaatste dag van ons verblijf in Sucre worden we uitgenodigd door Luis (Alberto zijn zoon) in de cementfabriek waar hij werkt als ingenieur. Luis is nog maar acht maanden terug in Bolivia, voordien werkte hij twaalf jaar in Hamburg. Hij spreekt dan ook perfect Duits en dat maakt de rondleiding voor ons iets makkelijker. Luis zijn moeder vergezeld ons ook op de rondtrip, zei krijgt de uitleg in het Spaans door één van de veiligheidsadviseurs. Deze fabriek was vroeger één van de topbedrijven van Bolivia en het is dan ook één van Luis zijn taken om het terug op de rails te krijgen. De plaats waar het kalksteen wordt afgegraven is niet alleen bekend omwille van de cementfabriek maar er zijn ook voetsporen terug gevonden van Dinosauriërs die hier 65 miljoen jaar geleden rond liepen.

De twee diagonale lijnen op de wand zijn sporen van dinosauriërs:

Tijd om Sucre te verlaten, we hadden er een heerlijke tijd bij de familie, maar na acht dagen is het tijd om te gaan. Alberto zijn vrouw informeert ons nog over de toestand van de weg richting Samaipata (300km), bijna allemaal asfalt vertelt ze ons dus dat ziet er goed uit. Jaaaa, dat viel natuurlijk weer helemaal anders uit. We hadden beter eerst gevraagd hoe lang het geleden was dat ze nog eens in die richting geweest was. Het eerste stuk van 80km was inderdaad asfalt maar de rest van de weg piste; bezaait met putten en stenen onzichtbaar voor het blote oog omdat ze bedekt waren met zand zo fijn als bloem. We bereiken Samaipata pas na drie dag hobbelen en stof vreten met een gemiddelde snelheid die lag tussen de 10 en 15 km/hr. De uitzichten hebben veel goed gemaakt maar Alberto zijn vrouw heb ik toch een paar keer vervloekt onderweg.

Deze twee jongens waren aan het wachten totdat onze camion uit mekaar viel van al dat gerammel:

Samaipata, een klein dorpje op 1650m waar het eeuwig lente is, de temperatuur schommelt hier rond de 25°C met af en toe wat regen maar nooit voor lange periodes, allé dat hebben we ons toch laten wijsmaken. Tijdens de vijf dagen dat we hier verblijven is het in elk geval aangenaam vertoeven. We doen er een wandeling in het naburige Amborro-park, geven de camion een smeerbeurt en de was wordt nog eens gedaan.

Onze staanplaats op camping ´La Vispera`:

De wandeling in het Amborro-park (staat bekend om zijn vele vogelsoorten alleen hadden ze bij ons niet zoveel goesting die dag):

Volgende halte is Santa Cruz (1.500.000 Inw.) waar we wat inkopen doen en een rondje tankstations. Ik had al vermeld dat je geen brandstof krijgt als je hier rondrijdt met buitenlandse nummerplaat dus parkeren we de camion steeds uit het zicht van het tankstation en laat ik onze jerrycan vullen, bij de meeste tankstations was dat geen probleem en zo heb ik de bak na 7 tankstations toch bijna vol gekregen aan de Boliviaanse prijs (ongeveer 40 eurocent). We blijven hier maar één nacht omdat we bijna over onze dertig dagen verblijfsvergunning zitten, normaal gezien kan je dit gemakkelijk laten verlengen in een stad gelijk Santa Cruz maar sommige politie-diensten staken hier (om meer loon natuurlijk) en om die reden zou de immigratie gesloten zijn.

Vanuit Santa Cruz gaat het dan richting Braziliaanse grens, onderweg worden we tegen gehouden door niet stakende politie mannen die duidelijk een centje wilden bij verdienen. Lokalen mogen vlotjes door rijden maar wij worden aan de kant gezet en ik moet mee naar hun kantoortje. Mijn paspoort en de papieren van de camion worden gecontroleerd en alles wordt genoteerd op een officieel ogend document. Na een kwartier staat alles op papier en vraagt de politieman 50 Bolivianos (omgerekend 5€, een hele som geld als je weet dat hun maandloon niet meer dan 150€ bedraagt), ik vraag waarom ik dat moet betalen aangezien ik 50km voordien al eens officieel tol betaalt heb. Volgens hem is dat standaard bij het opmaken van zijn documentje. Ok, maar als ik 50 Bolivianos moet betalen had ik daarvoor ook graag een officiële factuur gehad. Geen probleem, hij zou het wel op dat documentje schrijven, ik dacht het niet, een officiële factuur of geen centjes. Ik vraag hem ook waar dat geschreven staat dan ik 50 Bolivianos dien te betalen, waarna hij vlijtig in één of ander boekje begint te bladeren. Op dat moment komt zijn collega binnen en ik vraag ook aan hem waarom dat ik hier moet betalen en de rest van de Bolivianen niet. Dat is standaard dat er bij het opmaken van zo´n documentje 30 Bolivianos gevraagd wordt. 30 Bolivianos, zeg ik en bij uw collega was het vijftig, a ja, zegt zijn collega, die nog altijd aan het bladeren is in dat boekje, het is dertig Bolivianos. Ok, zeg ik, maar dan wil ik nog steeds een officiële factuur en zien waar dat geschreven staat. Volgens de politie mannen zou er mij een grote boete boven het hoofd hangen als ik nu niet zou betalen. Ik blijf vragen naar een factuur en na wat heen en weer geleuter krijg ik uiteindelijk zonder te betalen mijn papieren terug en verdwijnt het ´officiële´ documentje in de vuilbak :-).

De nacht brengen we vervolgens door aan een klein tankstation. Éénmaal dat het donker wordt gaan we eens informeren of we toch geen diesel kunnen krijgen, na wat aarzelen lukt het ons om nog eens twee jerrycans te vullen en zo zijn onze bakken zo goed als vol. De weg is deze keer wel zeer goed en is bijna geheel verhard tot aan de Braziliaanse grens.

Het onverharde gedeelte met koeien:

Het verharde gedeelte, nog steeds met koeien:

Onderweg houden we voor twee dagen halt in ´San José de Chiquitos´, hier parkeren we achter een hotel wat twee jaar geleden geopend is door een Frans koppeltje.

Op onverharde wegen worden we al een geruime tijd geplaagd door tokkende geluiden onder de cabine. Op gewone weg is er niets aan de hand maar op de Boliviaanse off-road wordt een mens zot.  Het heeft ons een dikke maand gekost om er achter te komen dat het komt van speling (axiaal tussen 0.5 en 2mm) op de ophangingpunten van de bladveren. In Santa Cruz zijn we al eens gestopt bij een Duitse mekanieker en volgens hem zou er speling zitten op de bronzen bussen van de bladveren waardoor de veren makkelijker op en neer gaan op slechte pistes. In principe kan het geen kwaad, als er maar genoeg vet op zit maar het geluid werkt zo op ons systeem dat er een oplossing moet komen. Aan de parking van het hotel probeer ik er voorlopig iets tussen te steken om de speling op te heffen. Het helpt, nu nadenken hoe we de zaak definitief kunnen oplossen want de bladveren uit mekaar laten halen door een Boliviaanse mekanieker is niet zonder risico :-(.

We steken een dag te laat de Braziliaanse grens over en krijgen een boete van 20 Bolivianos per persoon, deze keer wel met officiële factuur en takszegels. Binnen paar weekjes staan we hier hopelijk terug na dat we de Braziliaanse Pantanal bezocht hebben.

Vorig verslag    Overzicht    Volgend verslag